Monthly Archives: March 2010

Isidorus van Sevilla en de linguis gentium de vroegmiddeleeuwse taalwetenschap beschouwd

Als historisch taalwetenschappers en filologen moeten
we werken met de historische talen waarvan schriftmonumenten tot ons gekomen
zijn. Al sinds de middeleeuwen was men bekend met het adagium ‘verba volant, scripta manent’ [woorden
vliegen, geschreven zaken blijven] en ook vandaag de dag worden we met de
waarheid van deze uitspraak dagelijks geconfronteerd. Zo denk ik dat er vele
Indogermanisten zijn, die maar wat graag een seance met een spreker van het PIE
zouden houden, al was het maar om te horen of H1 daadwerkelijk een
glottisslag was. Het mysterie dat taal heet te zijn en waarvan de moderne
taalwetenschap al sinds de negentiende eeuw de finesses probeert te doorgronden,
was voor de westerse middeleeuwse wetenschapper even mysterieus, hetzij minder
problematisch. Taal was als grammaticaal fenomeen voor de middeleeuwer afdoende
verklaard door laatantieke grammatici zoals Donatus. Wat een stem is, wat een
foneem is, wat een syllabe is; de grammatici hadden het in de derde en vierde
eeuw na Chr. allemaal overzichtelijk opgeschreven en voor de middeleeuwer was
daarmee de kous af. De Stoïcijnse notie dat in taal de ware aard (etymon) van de dingen verborgen zou
zijn, werd bij wijze van woordspel ook wel eens door middeleeuwse
wetenschappers verkend. Als cultureel fenomeen was taal voor de middeleeuwer
interessanter, omdat het één van de theologische fundamenten van het
christendom betrof.

 

Het woord Gods was in de Scripturae (de Schrift) aan de volkeren
geopenbaard en mocht alleen in de drie heiligen talen opgeschreven worden, te
weten het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn. Net deze talen waarin de
aanklacht IESUS NAZARENUS REX IUDAEORUM, die men op Pilatus’ bevel aan het
kruis hing, geschreven was. Gelukkig waren de oosterse bisdommen het met deze
leerstelling niet eens (zij noemde deze leerstelling de Pilatiaanse ketterij),
zodat wij het Gotisch, het Armeens en het Oudkerkslavisch overgeleverd hebben
gekregen. Ook de bekeringspraktijk en oppervlakkige kerstening in barbaars
Germanië noopten clerici ertoe verscheidene volkstalen aan het schrift toe te
vertrouwen. De Ieren hadden, eigenwijs als zij waren, geen buitenlandse
missionarissen nodig om hun taal te verschriftelijken en besloten zelf de
christelijke teksten in hun eigen taal om te zetten. Maar hoe keken deze
middeleeuwers naar taal? Welke preconcepties namen zij met zich mee toen zij
aan hun noeste vertaalarbeid begonnen? Een gedeelte van het antwoord op deze
vragen ligt besloten in de Etymologiae
van Isidorus van Sevilla. Isidorus was een zevende-eeuwse bisschop in
Visigothisch Spanje en schreef het monumentale werk Etymologiae, wat men met een beetje goede wil als de middeleeuwse
voorganger van wikipedia kan beschouwen. In deze encyclopedie verzamelde
Isidorus alle kennis over alle zaken, die hij belangrijk achtte, in twintig
boeken. Ook het fenomeen taal komt in deze boeken aan bod. Daarom zou ik u nu
graag kort kennis laten maken met Isidorus’ kijk op taal, die door de
middeleeuwen heen en zelfs daarna leidend was. Een kijkje dus in de
taalwetenschap van de vroege middeleeuwen.

 

Hoezeer het de Indogermanist ook zal verdrieten, in de
middeleeuwen was men er van overtuigd dat het Hebreeuws de oudste taal ter
wereld was. Isidorus laat daar geen twijfel over bestaan: Nam priusquam superbia turris illius in diversos signorum sonos humanam
divideret societatem, una omnium nationum lingua fuit, quae Hebrae vocatur.

[want voordat de hoogmoed van deze toren (van Babel) de menselijke gemeenschap
in verschillende klanken van betekenissen zou hebben verdeeld, was er één taal
voor alle volkeren, die het Hebreeuws wordt genoemd] Wat er na de toren van
Babel gebeurde, was voor Isidorus niet helemaal duidelijk. Hij nam aan dat hoewel
er aanvankelijk evenveel volkeren als talen moeten zijn geweest, er later meer
volkeren dan talen waren, omdat verscheidene volkeren uit dezelfde taal moeten
zijn voortgekomen [quia ex una lingua
multae sunt gentes exortae
]. Op zich
een zinnige opmerking, waarvan veel negentiende-eeuwse romantici wat hadden
kunnen leren.

 

Ook andere kwesties houden Isidorus bezig; zo heeft hij
zichtbaar moeite met het feit dat God de woorden ‘fiat lux’ [er worde licht]
gesproken zou hebben, aangezien er toen nog geen taal kon zijn. Hoe God dan überhaupt
gesproken zou kunnen hebben, wanneer er geen taal bestond, laat Isidorus
onbeantwoord. Ook vraagt hij zich af met welke woorden God zich tot de profeten
zou hebben gewend. De notie dat God in de oertaal (de taal vóór Babel) tot de
profeten zou hebben gesproken, wordt door Isidorus verworpen. Want, zo zegt
hij, dan zou niemand de Heer hebben verstaan. Deze uitspraak is weer wat
vreemd, aangezien hij een regel daarvoor had beweerd dat het Hebreeuws de
oertaal was en de Hebreeuwse profeten welzeker Hebreeuws moeten hebben gekend.
Zo zijn er meer uitspraken van Isidorus waarbij menig postmodern wetenschapper
een wenkbrauw zal optrekken. Doofstomme mensen komen er bijvoorbeeld in de Etymologiae slecht vanaf, want mensen
die geen taal spreken ‘zijn slechter dan brute beesten’ [animalium brutorum deterior]. Verder grosseert Isidorus in
truïsmes. Zo zegt hij dat het voor een mens zeer moeilijk is om alle talen van
de wereld te leren (een waarheid als een koe) en dat niemand weet welke talen
er in de toekomst zullen worden gesproken. Andere problemen die Isidorus
aansnijdt zijn voor ons weinig interessant. Zo heeft Isidorus een uitgesproken
mening over het vraagstuk of de engelen een eigen taal hebben en vindt hij dat
de oosterse volkeren (zoals de Joden) hun taal en woorden in de keel samenknarsen.

 

De noties van Isidorus waren
in de middeleeuwen leidend, maar niet bindend. Zo meende een Ierse monnik dat
Goidel, de eponymische stamvader van de Ieren, ten tijde van de bouw van de
Babylonische toren elders vertoefde en zo de spraakverwarring ontlopen had.
Omdat Goidel zich misdeeld voelde, kreeg een Egyptische geleerde van God de
opdracht om uit alle talen van de wereld het beste van die taal te nemen en in
een nieuwe taal te stoppen. Deze kunsttaal die ‘bérla teipide’ [de uitgekozen taal] werd genoemd, werd vervolgens
aan Goidel en zijn nazaten gegeven. Zo zou dus het Iers tot stand zijn gekomen.  Vanaf de
achtste eeuw meenden verscheidene andere volkeren dat ook hun taal gebruikt
mocht worden om god te loven, hetzij alleen als complement op de Latijnse
geletterdheid. Deze volkeren zagen zich in hun overtuiging gesterkt door wat de
apostel Paulus in ‘ad Philippenses’ geschreven
had: et omnis lingua confiteatur quia
Dominus Iesus Christus in gloria est Dei Patris
[en elke taal zal bekennen
dat Jezus Christus de Heer is tot de glorie van God de Vader]. Zo ontstaat er
in Angelsaksisch Brittannië een bloeiende volkstalige schriftcultuur, die door
koning Alfred met veel enthousiasme bevorderd werd. Ook het Oostfrankische rijk
timmerde schuchter aan een eigen volkstalige literatuur. Otfrid van Weissenburg
schreef in de negende eeuw een eindrijmend evangeliënboek in de Oostfrankische
taal en verdedigde deze beslissing als volgt: Uuánana sculun Fráncon, éinon thaz biuuánkon, ni sie in frénkisgon
bigínnen, sie gótes lób singen
[waarom zullen de Franken, als enigen dat
vermijden, zij niet in het Frankisch beginnen, Gods lof te zingen].

 

Samenvattend kan men stellen dat de middeleeuwse kijk
op taal voor een gedeelte geërfd was van laatantieke grammatici en stoïcijnse
filosofen, en voor een gedeelte door de middeleeuwers zelf was ingevuld en aan
de christelijke theologie was aangepast. Taal was voor de middeleeuwer
belangrijk omdat het direct verband hield met het woord Gods. Naast dit
elitaire vertoog rond het fenomeen taal, bestonden er natuurlijk ook andere,
voor de historicus, minder toegankelijke vertogen. Zo lijken de
vroegmiddeleeuwse Germaanssprekende volkeren een goed besef van de gelijkenis
van hun talen gehad te hebben en werden deze talen (door Paulus Diaconus
bijvoorbeeld) als één taal gezien. Ook hadden de Keltisch- en Germaanssprekende
volkeren waarschijnlijk in hun taalcultuur een Indo-Europese dichotomie van
verheven (Allvíssmál) en alledaagse
taal bewaard, die van wezenlijk belang was in hun poëtische registers. Maar dan
verlaten we de mediëvistiek en betreden we de studie van de Indo-Europese
dichtcultuur, een vakgebied waar velen (zoniet iedereen) een stuk bedrevener in
zijn dan ik. Veel zaken met betrekking tot middeleeuwse mentaliteiten blijven
nog steeds duister, zo ook met de middeleeuwse houding tegenover het fenomeen
taal. En ik vrees dat ook hier alleen een seance uitkomst zou kunnen bieden…

 

Peter Alexander Kerkhof

 

MA-student in Comparative Indo-European Linguistics

 

Bronnen:

Braune, Althochdeutsches Lesebuch (Tübingen
1994).

Hiëronymus, Biblia
Sacra iuxta vulgata versionum
, Roger Gryson ed., (Deutsche Buchgesellschaft
1976).

Paul Russel, “What
was best of every language; the early history of the Irish language”, in: a
new history of Ireland
Dáibhi Ó Cróinín ed. (Oxford 2005).

Isidorus Hyspaniensis episcopus, Etymologiarum Sive Originum Libri XX
(Oxford 1911).

Dr. H. L. W. Nelson, Etymologiae
van Isidorus van Sevilia ; een boek op de grens van de antieke en de
middeleeuwse wereld
(Leiden 1954).

Julia M. H. Smith, Europe after Rome; a new cultural history 500-1000
(Oxford 2005).

Calvert Watkins, “Language of Gods and Language of Men: Remarks on Some
Indo-European Metalinguistic traditions” in: Myth and Law among the
Indo-Europeans
, Jaan Puhvel ed., (1970).

 

(Dit artikel verschijnt april 2010 in TWISTER, het mededelingenblad voor de studievereging van de Algemene en Vergelijkende Taalwetenschap)